Posts tonen met het label Genesis. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Genesis. Alle posts tonen

zondag 19 maart 2006

Hij zal over je heersen

In Genesis 3 lezen we het verhaal van de zondeval. Sommigen menen dat in vers 16 een hiërarchie tussen man en vrouw wordt ingesteld.

Er zijn echter een aantal problemen met deze interpretatie.
In vers 14 - 19 worden een aantal gevolgen van de zondeval genoemd. Twee dingen worden vervloekt, namelijk de slang (vs. 14) en de aardbodem (vs. 17). Dit zou kunnen duiden op de geestelijke wereld en de fysieke wereld. Verder worden er nog een aantal andere gevolgen genoemd (hierbij wordt er niet bij gezegd dat het een vloek is.) Duidelijk is in ieder geval dat zonde zaken ontwricht; zonde heeft gevolgen; zonde veroorzaakt moeilijkheden...

Er wordt bijvoorbeeld genoemd dat de mens zal moeten zwoegen om brood op de plank te kunnen krijgen. Ik heb niet de indruk dat veel mensen dit als een opdracht opvatten om het zich zo moeilijk mogelijk te maken tijdens het verdienen van het dagelijks brood. Ook ken ik geen boeren die op grond van deze tekst het gebruik van landbouwapparatuur afzweren.

Er wordt genoemd dat de zwangerschap een zware last zal worden. Toch ken ik geen vrouwen die op grond van deze tekst afzien van medische hulp tijdens de bevalling.

De tekst beschrijft duidelijk gevolgen van de zondeval. Hoe komt het dan dat één tekst uit dit verband wordt gerukt en dat deze tekst als voorschrijvend in plaats van beschrijvend gezien wordt?

Hij zal over je heersen.
Als er één tekst in de Bijbel is die pleit tegen de hiërarchie tussen man en vrouw, dan is het deze tekst wel! De tekst schreeuwt het uit, dit zijn de gevolgen, zo heeft God het niet bedoeld...

Helaas heeft de wereldgeschiedenis de treurige realiteit van deze tekst aangetoond. Maar er is hoop. Zo hoeft het niet te zijn! Jezus is gekomen. Jezus is gestorven en opgestaan. Hij heeft betaald voor onze zonden. De Heilige Geest geeft ons christenen kracht om onze relaties op een betere manier vorm te geven. Halleluja!

donderdag 16 maart 2006

Een helper die bij hem past

Gisteren schreef ik al over Genesis 2:18-25. Vandaag ga ik hier mee verder en wil ik ingaan op de zinsnede een helper [...] die bij hem past.

In het Hebreeuws gaat het hier om twee woorden: ezer kenegdo.
Deze woordcombinatie komt twee maal in dit gedeelte voor. In vers 18 belooft God een ezer kenegdo te maken en in vers 20 komt de mens tot de conclusie dat de dieren deze ezer kenegdo niet zijn. Uit het vervolg maken we op dat het hierbij om de vrouw gaat.

Nu hebben wij misschien snel de neiging om te denken: dat is handig zo'n hulpje. De vrouw als hulp in de huishouding. (Wellicht is dit een typisch mannelijke gedachte...)

Als we in het Oude Testament op zoek gaan naar het woord ezer (hulp,) dan vinden we dat ongeveer 20 keer. Het heeft de betekenis van sterke helper en vaak verwijst het naar God zelf als sterke helper van Israël. (Zie bijvoorbeeld Deutronomium 33:26.)

Het woord kenegdo komt alleen hier in het Oude Testament voor. Het betekent letterlijk zoiets als 'overeenkomen met hem' of 'tegenover hem'. In feite zorgt de toevoeging van kenegdo ervoor dat we ezer niet interpreteren als superieur (zoals God helper is,) maar als gelijke.
De vrouw is dus een sterke hulp die (als gelijke) bij de man past.

Opnieuw blijkt dus weer uit het (tweede) scheppingsverslag, dat man en vrouw aan elkaar gelijk zijn. Er is nergens sprake van enige vorm van hiërarchie.

woensdag 15 maart 2006

Eindelijk een gelijke aan mij

Gisteren schreef ik over de volledige gelijkheid van man en vrouw die uit het eerste scheppingsverslag blijkt. Vandaag wil ik kijken naar het tweede verslag dat we hierover in de Bijbel vinden. Hierbij wil ik me concentreren op Genesis 2:18-25.

De mens was alleen en dat was niet goed! In het eerste scheppingsverslag zegt God na een scheppingsdaad steeds dat Hij zag dat het goed was. Nu zegt God dat het (nog) niet goed is. Het is nog niet af.
Vervolgens worden de dieren ten tonele gevoerd. Maar (zo weten we uit het eerste scheppingsverslag) de mens is heerser over de dieren. De dieren zijn van een andere orde. En de mens ziet in dat de dieren hem niet completeren.

Als laatste schept God een vrouw. De mens roept het uit:

Eindelijk een gelijke aan mij...
Ho even, zal je misschien zeggen. Dat gelijke heb ik in mijn oude bijbelvertaling nooit gelezen. Hoe zit dat?
In het Hebreeuws staat er zoiets als:

Dit is nu eindelijk been van mijn beenderen
en vlees van mijn vlees
We lezen hier een stukje poëzie. Een belangrijke vorm van Hebreeuwse poëzie is parallelisme. Hierbij worden twee gelijke (of op elkaar lijkende) begrippen genoemd om een bepaalde symetrie te verkrijgen. Ook wordt de betekenis door de herhaling versterkt.
Been van mijn been, vlees van mijn vlees...
Kijk nou... hetzelfde!

De mens roept het dus uit dat hij eindelijk iemand heeft gevonden die bij hem past. Sterker nog die 'van hetzelfde' is (namelijk: hetzelfde gebeente, hetzelfde vlees.) Gelijkheid is dus duidelijk in de bijbeltekst aanwezig.

In Nederlandse poëzie is parallelisme geen gebruikelijke vorm. Om de betekenis van vers 23 goed weer te geven, maar ook de poëtische vorm onder de aandacht te brengen is de NBV vertaling feitelijk een heel goede vertaling:
Eindelijk een gelijk aan mij,
mijn eigen gebeente,
mijn eigen vlees
Verder bouwt deze tekst voort op het begrip 'een hulp die bij hem past,' waar de gelijkheid van man en vrouw ook uit blijkt. Maar daarover later meer...

dat is pas EquaMusic:
♪ eindelijk ♪ een gelijke ♪ aan mij ♪

dinsdag 14 maart 2006

Mannelijk en vrouwelijk schiep hij de mensen

In Genesis 1:26-28 wordt de schepping van de mens(en) beschreven.

Een aantal zaken vallen op. De intentie van de Schepper is, dat de mensen gaan heersen over de andere levende wezens. De mens krijgt de opdracht om de aarde onder zijn gezag te brengen. Dit wordt ook wel het cultuurmandaat genoemd; de opdracht om de aarde goed te verzorgen en in cultuur te brengen. Dit houdt dus in dat God de mens verantwoordelijkheid geeft.

Het is uit deze verzen ook duidelijk dat de mens hier opgevat moet worden als soortaanduideling. Het gaat hier dus niet om één mens (Adam.) We zouden ook de mensheid kunnen schrijven:

God schiep de mensheid als zijn evenbeeld, als evenbeeld van God schiep hij hem (deze mensheid), mannelijk en vrouwelijk schiep hij de mensen. (Genesis 1:27)

Dat het hier om de mens als groep gaat, blijkt vooral uit het feit dat hier bijna voortdurend in het meervoud gesproken wordt. En ook wordt er bij gezegd dat het hierbij om zowel man(nen) als vrouw(en) gaat.

Het eerste verslag van de schepping van de mens getuigt dus van een volledige gelijkheid van man en vrouw. Er wordt hier geen onderscheid gemaakt. Zowel man als vrouw krijgen de opdracht om heerschappij over de schepping te voeren.
De grote afwezige is enige verwijzing naar een gezagsrelatie tussen man en vrouw onderling.